De samenstelling van het gemeentebestuur 1919-1946

In 1919 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd en konden voor het eerst alle volwassen inwoners van Weststellingwerf stemmen. De economische omstandigheden waren slecht als gevolg van de Eerste Wereldoorlog. De gemeentelijke financiële middelen gingen in 1919 vooral naar de aanleg van wegen, de bouw van scholen en de aankoop van heidegrond. Werkloosheidsbestrijding en inperking van de werkdag en werkweek waren belangrijke kwesties. Het was dan ook niet verrassend dat de sociaal-democraten de verkiezingen wonnen. In 1919 behaalde de SDAP 5 zetels. De vijf andere partijen, de christelijk-historischen, de katholieken, de anti-revolutionairen, de vrijzinnig-democraten en de Sociale Partij van Johannes Mooij, behaalden ieder twee zetels. Mooij, later ereburger van Weststellingwerf, had van 1919 tot 1940 en van 1962 tot 1970 zitting in de raad. Martje Oosterhof-Wagenaar kwam in 1919 als eerste vrouw in de raad. De SDAP en de VD mochten elk een wethouder leveren.
Vier jaar later waren de christelijk-historischen en Gemeentebelang de grote winnaars met elk vier zetels. Gemeentebelangen was een middenpartij, die soms iets naar de linkerkant helde. De partij ging de verkiezingen in met de leus ‘geen politiek in den raad en verlaging van belasting’. De christelijk-historischen deden eveneens veel aan propaganda. De burgemeester concludeerde dat ‘de actie, op een niet te beschrijven wijze gevoerd, ten gunste van een der candidaten der partij, van grooten invloed is geweest’. Willem Muurling, de kandidaat van de CH en raadslid sinds 1919, werd wethouder; destijds de jongste van het land. Hendrik Groen ging die functie namens Gemeentebelang vervullen, maar kreeg na enkele jaren gezondheidsproblemen.
Muurling ontwikkelde zich tot een sterke bestuurder, die hier en daar en ook in zijn eigen partij irritatie opriep. In 1927 en 1931 verscherpten de tegenstellingen verder, mede door de economische crisis. De verkiezingspropaganda in met name het manifest Recht door Zee uit 1927 werd Muurling nog lang nagedragen. Ook zou hij toezeggingen hebben gedaan om bij een volgende verkiezing een lid van een andere ‘rechtse’ partij wethouder te laten worden. Vanaf 1927 was de SDAP weer de grootste partij. In 1931 nam wethouder Veenstra van de SDAP afscheid. Hij was in 1928 gekozen als opvolger van Groen. De burgemeester roemde hem om de ‘prettige en joviale wijze’ waarop hij de functie uitoefende. Spanning was er eveneens tussen de SDAP en de partij van Mooij. De SDAP waarschuwde de kiezers voor ‘kleine dwergpartijen’. Mooij wilde geen loonsverlaging voor gemeenteambtenaren, terwijl de SDAP hier wel voorstander van was. In 1931 ontstonden mede door de werkverschaffing grote financiële tekorten. De CH ging met de leus ‘zuinigheid en zedelijkheid’ de verkiezingen in en haalde daarmee drie zetels.
De oudste bewaard gebleven foto van het gemeentebestuur van 10 februari 1931

Burgemeester Van Nijmegen Schonegevel werd, op eigen verzoek, per 1 mei 1934 eervol ontslagen. Op 26 april leidde hij voor het laatst een raadsvergadering, zijn 284e: ’27 jaar geleden was het woord crisis nagenoeg onbekend, thans hoort men bijna niet anders… Met den wens, dat de gemeente Weststellingwerf in bloei moge toenemen als straks weer eens betere tijden aanbreken, neem ik afscheid van u’. De nieuwe burgemeester Eugen Nicolaas Walle Maas spreekt bij zijn aantreden ‘Wanneer men de naam Weststellingwerf hoort, dan denkt men aan de markten te Wolvega, aan exportslachterijen, aan veenderijen en niet te vergeten de rietvlechtindustrie te Noordwolde. En verder natuurlijk niet de landbouw, hoofdzakelijk de veehouderij. Al deze takken van landbouw, handel en nijverheid verkeeren in een moeilijke positie.’ Ook Muurling noemde de ‘slechte tijdsomstandigheden’ met stijging van het aantal werklozen in korte tijd van circa 700 tot bijna 900. De gemeenteraad discussieerde in 1934 ook over de keuringsdienst, verbetering van wegen, de gasfabriek, sportterreinen, de rietvlechtschool en jeugdwerkloosheid.
De ‘kwestie Wardenier’ bracht het gemeentebestuur in rep en roer. In april 1934 had uitvinder Johannes Wardenier contact gezocht met wethouder Muurling om te proberen steun te verwerven voor de productie van zijn brandstofloze motor. Muurling was daartoe bereid, maar wilde dan wel van Wardenier de verzekering dat de fabricage van de motor in Wolvega plaats zou gaan vinden. De gemeenteraad eiste vervolgens meer informatie over de betrokken geldschieters. Wardenier en Muurling weigerden echter nadere details te geven. Het scepticisme nam daarna toe en deskundigen trokken de werking van de revolutionaire ontdekking in twijfel. Als gevolg van deze kwestie moest Muurling aftreden als wethouder en werd Wardenier opgenomen in een psychiatrische inrichting. De AR had de zwaarste kritiek op Muurling. Raadslid Douma had het over ‘grootspraak, naïviteit en leugen’.
In 1935 deed Muurling weer mee aan de verkiezingen met Groep Muurling. Met een sociaal programma, o.a. de belofte voor meer woningen voor arbeiders, won hij drie zetels. Toch was de rol van Muurling min of meer uitgespeeld. Hij verhuisde naar Steenwijk waar hij een herstart maakte als opticien. Dijk werd in 1935 wethouder namens de AR. Naar aanleiding van de verkiezingsuitslag van 1939 meldde burgemeester over de Groep Muurling: ‘Bedoelde zetels zijn thans verworven door de CH, de Troelstrabeweging en de RSAP. Naar mijn mening heeft de RSAP haar drie zetels te danken aan den lijstaanvoerder Joh. Mooij (zonder hem gingen de stemmen naar Troelstrabeweging, CDU en CPH)’. In 1939 gingen de VD en Gemeentebelang samen als Verenigde Vrijzinnige Groepen. Na de oorlog gingen de landelijke partijen nog meer domineren. Het aantal raadsleden werd in 1946 uitgebreid tot 19.
Mini expositie
Tot en met maandag 20 april kun je een mini-expositie bekijken in de publiekshal van het gemeentehuis.
Je bent welkom tijdens onze openingstijden. Kom gerust langs om de expositie te bekijken.